Schrijfsels over de Peel: het ontstaan van de Peel volgens Isfridus Thys

Schutblad van het Boek van Thys.

Eeuwen geleden werd er al over de Peel geschreven.

Eén van die schrijvers is priester en historicus Isfridus Thys (1749-1824). Hij was kanunnik van de abdij van Tongerlo en van juni 1785 tot september 1789 kapelaan van Mierlo. Tijdens zijn verblijf in Mierlo werd hij uitgedaagd naar aanleiding van een prijsvraag, die door 'eenige welmeynende vrienden' van de Meierij van 's-Hertogenbosch was uitgeschreven met voor de winnaar 30 gouden dukaten. Brabant had overvloedig woeste gronden, zoals de uitgestrekte heiden en de Peel. Van deelnemers aan de prijsvraag werd verwacht dat zij met ideeën kwamen hoe die gebieden ontgonnen konden worden en hoe ze van meer nut zouden kunnen zijn. Thys schreef in 1788 zijn "Memorie of vertoog over het uytgeven en tot culture brengen der vage en inculte gronden in de Meyerye van 's Hertogenbosch'. Vier jaar later werd zijn werk in een 430 bladzijden tellend boek uitgegeven. Ook al won Thys niet de eerste prijs - hij werd tweede -, zijn geschrift behoort tot de beste verhandelingen uit de achttiende eeuw over ontginning en bodemverbetering.

In de inleiding op zijn vertoog gaat Thys uitgebreid in op hoe naar zijn mening de Peel is ontstaan en hij haalt hierbij meningen aan van andere schrijvers, zoals Jacob van Oudenhoven en Grammaye. Terecht schaart hij de Peel onder de moerassen: 'die plaetzen welke door menschen en beesten dikwils ongankbaer zijn'. Maar net als Van Oudenhoven vindt Thys een moeras als de Peel nuttig voor de omliggende dorpsbewoners vanwege het moer, de turf. Dat moer is volgens Grammaye een 'spongieuse materie' van 'alderley afschaefsel of afsnijttsel' van hout dat in water ligt te verrotten en 'tot eenen kloemp' is samengedrukt. Die spons is op vele plaatsen wel meer dan 5 meter dik en er liggen hele bomen in. Met dat verrot plantenmateriaal hadden ze het natuurlijk bij het rechte eind. Nu weten we door onderzoek van biologen veel en veel meer dan in de tijd van Thys, Van Oudenhoven en Grammaye over de planten die het Peelmoeras gemaakt hebben. De voornaamste veenvormers zijn de diverse veenmossoorten. Die moeten bij de schrijvers onbekend zijn geweest, want in hun schrijfsels kom je ze niet tegen. Zij schrijven het rottende plantenmateriaal toe aan bomen en hun takken en bladeren. Door een overstroming in oude tijden, de 'Cimbersche Diluvie', zijn die bomen massaal omgegaan en in het water terecht gekomen. Het 'oneyndelijk gewelt' van deze 'boomstortinge' werd een handje geholpen door een noordwesten wind, want 'alle de toppen liggen naer den Zuyd-oosten'.  Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond, dat die bomen niet zijn omgegaan door een zondvloed, maar dat ze het loodje gelegd hebben, doordat ze niet tegen de zure aard van het Peelveen konden. Een klein plantje als het veenmos, was in die omstandigheden sterker dan al die woudreuzen.
Thys onderbouwt zijn mening over de rottende bomen als oorzaak van het ontstaan van de Peel met een voorbeeld dat eenieder met eigen ogen kan zien. In sloten in oude bossen is ook een soort moer ontstaan. In die sloten zijn volop boombladeren en dorre takken terechtgekomen, die 'door de vogtigheyd, daer vergadert, verrotten en verder met het gras of andere gewassen gemengeld' moer worden. Als die sloten niet geschoond worden, komt dat moer op den duur op gelijke hoogte met de grond om de sloot.
In zijn beschouwing over het ontstaan van de Peel gaat Thys ook in op de veronderstelling van Van Oudenhoven dat ooit de zee tot aan Tongeren kwam. Thys gelooft daar niets van. Inmiddels weten we door onderzoek door Noud Peters en Theo Lammers bij de Hoogdonk in Liessel, dat miljoenen jaren geleden die zee er wel degelijk was.
 

Reactie plaatsen

Naam

E-mail

Bericht

Reacties worden geladen...
Ontdekken
Harry Broos
Pierre van Moorsel
De Oude Toren van Stiphout.
images/hourglass.png

ZOEKEN...